Kabinet-Cort van der Linden (1913-1918)
Het liberale extraparlementaire1 kabinet-Cort van der Linden loodste Nederland door de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) en bracht de belangrijke Grondwetsherziening van 19172 tot stand. Hierdoor werden de kiesrecht- en schoolstrijd beëindigd. Het meerderheidsstelsel (districtenstelsel) werd vervangen door de evenredige vertegenwoordiging3. Onder de negen ministers waren slechts twee oud-Kamerleden.
De dreiging door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog maakte op 1 augustus 1914 mobilisatie van het leger noodzakelijk. Het kabinet nam maatregelen om het economische leven zoveel mogelijk overeind te houden en voerde verder distributie van allerlei producten in. De blokkade van geallieerden en de oorlogvoering ter zee leverde steeds grotere problemen op bij de invoer van goederen en daarmee bij de voedsel- en brandstofvoorziening.
Het kabinet bestond uit negen liberale en vrijzinnig-democratische ministers. Zij waren voor het merendeel geen vooraanstaande politici. Minister-president Cort van der Linden was niet aangesloten bij een politieke partij. Om te benadrukken dat er geen band was met parlementaire fracties, verklaarde Cort van der Linden dat zijn kabinet wilde regeren overeenkomstig de 'volkswil'. Het kabinet trad op 29 augustus 1913 aan en werd op 4 juli 1918 demissionair. Op 9 september 1918 trad het opvolgende kabinet-Ruijs de Beerenbrouck I4 aan
Bij de verkiezingen van 25 juni 1913 behaalden liberalen en sociaaldemocraten een meerderheid. Een poging van de vrijzinnig-democraat Bos5 tot kabinetsformatie mislukte echter. De SDAP-fractie wenste (nog) geen regeringsverantwoordelijkheid te nemen (een buitengewoon congres in Zwolle steunde enige weken later dat besluit, maar toen was de SDAP al niet langer betrokken bij de formatie). Bos weigerde vervolgens de formatie van een parlementair liberaal minderheidskabinet.
Hierop werd Cort van der Linden belast met de vorming van een extraparlementair liberaal kabinet. De sociaaldemocraten zegden hierbij wel toe het kabinet te steunen, mits het kwam met voorstellen voor algemeen kiesrecht en een staatspensioen. Daartoe was Van der Linden bereid, maar tevens zou worden gestreefd de onderwijskwestie (financiële gelijkstelling bijzonder onderwijs) te regelen.
Naast personen van buiten de politiek werden Treub en Lely minister. Meer uitgesproken politici als de vrijzinnig-democraten Drucker6 en Van Deventer7 bleven echter buiten het kabinet.
datum |
wat |
wie |
tot en met |
dagen |
---|---|---|---|---|
11 juli 1913 |
benoeming formateur |
25 juli 1913 |
15 |
|
2 augustus 1913 |
benoeming formateur |
28 augustus 1913 |
27 |
|
29 augustus 1913 |
beëdiging ministers |
3 juli 1918 |
1770 |
|
4 juli 1918 |
kabinet demissionair |
8 september 1918 |
67 |
|
9 september 1918 |
ontslag verleend |
koningin Wilhelmina |
minister a.i.: Mr. P.W.A. Cort van der Linden (Liberaal, maar partijloos) (29 augustus 1913 - 27 september 1913)
minister: Jhr.Dr. J. Loudon (Liberaal, maar partijloos) (27 september 1913 - 9 september 1918)
Justitie
minister: Mr. B. Ort (Liberaal, maar partijloos)
Binnenlandse Zaken
minister: Mr. P.W.A. Cort van der Linden (Liberaal, maar partijloos)
Financiën
minister: A.E.J. Bertling (Liberaal, maar partijloos) (29 augustus 1913 - 24 oktober 1914)
minister: Mr. M.W.F. Treub (VDB) (24 oktober 1914 - 8 februari 1916)
minister: Mr.dr. A. van Gijn (Liberale Unie) (8 februari 1916 - 22 februari 1917)
minister: Mr. M.W.F. Treub (Liberaal, maar partijloos) (22 februari 1917 - 9 september 1918)
Oorlog
minister: N. Bosboom (Oud- of vrije liberalen) (29 augustus 1913 - 15 mei 1917)
minister a.i.: J.J. Rambonnet (Liberaal, maar partijloos) (15 mei 1917 - 15 juni 1917)
minister: Jhr.Mr. B.C. de Jonge (Chr. historisch, partijloos) (15 juni 1917 - 9 september 1918)
Marine
minister: J.J. Rambonnet (Liberaal, maar partijloos) (29 augustus 1913 - 28 juni 1918)
minister a.i.: Jhr.Mr. B.C. de Jonge (Chr. historisch, partijloos) (28 juni 1918 - 9 september 1918)
Waterstaat
minister: Dr. C. Lely (Liberale Unie)
Landbouw, Nijverheid en Handel
minister: Mr. M.W.F. Treub (VDB) (29 augustus 1913 - 24 oktober 1914)
minister a.i.: Mr. M.W.F. Treub (VDB) (24 oktober 1914 - 19 november 1914)
minister: F.E. Posthuma (Liberaal, maar partijloos) (19 november 1914 - 9 september 1918)
Koloniën
minister: Mr. Th.B. Pleyte (VDB)
In 1914 nam minister Bertling ontslag als minister van Financiën. Hij was niet opgewassen tegen het zware ministersambt. Verondersteld wwrdt - er zijn geen bewijzen voor - dat zijn benoeming in 1913 op een vergissing had berust. Treub nam Financiën over en Posthuma, bestuurder van verzekeringsmaatschappij Centraal Beheer, werd minister van Landbouw, Handel en Nijverheid.
In 1916 trad minister Treub weer af, toen een koppeling van een pensioenbelasting aan een ouderdomswet werd afgewezen door de Tweede Kamer. Mogelijk speelden bij zijn vertrek ook privéomstandigheden.
Topambtenaar Van Gijn van het ministerie van Financiën werd nu minister. Na een conflict met zijn ambtgenoten over de financiering van de levensmiddelenpolitiek trad hij op zijn beurt na een jaar weer af. Treub keerde toen terug op Financiën.
Oorlogsminister Bosboom vertrok, nadat de Tweede Kamer op 10 mei 1917 een motie-Marchant had aangenomen, waarin zijn besluit werd betreurd om de landstormjaarklasse 1908 (geboren in 1888) op te roepen, in plaats van de landstormklasse 1918 (geboren in 1898).
Na een conflict met zijn collega's over een konvooi naar Nederlands-Indië trad in juni 1918 minister Rambonnet van Marine af. Zijn collega's wilden wel toegeven aan bepaalde Engelse eisen ten aanzien van passagiers en goederen, terwijl Rambonnet daar niet voor voelde.
Belangrijke gevolgen van de oorlog waren:
-
-een grote toestroom van Belgische vluchtelingen (in totaal circa 1 miljoen)
-
-de torpedering van Nederlandse koopvaardij- en vissersschepen
-
-een strenge controle op zee van de in- en uitvoer door Nederlandse schepen
-
-ter bekostiging van de oorlogsuitgaven werden vrijwillige leningen gevraagd, met als 'stok achter de deur' dreigende hogere belastingheffing
-
-de noodzaak tot de opbouw van een omvangrijk distributieapparaat, die gepaard ging met veel bureaucratie en misstanden
-
-voedselschaarste, met name in de grote steden, leidde in 1918 tot rellen (aardappeloproer)
-
-Door de Grondwetsherziening van 1917 kwam er een einde aan zowel de school- als de kiesrechtstrijd. Er kwam financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs en het algemeen mannenkiesrecht werd ingevoerd. Daarnaast werden de grondwettelijke belemmeringen van het vrouwenkiesrecht weggenomen (ook vrouwen konden voortaan gekozen worden), en maakte het districtenstelsel plaats voor het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Tevens werd een opkomstplicht ingesteld bij de verkiezingen.
-
-De in 1917 vanwege de grondwetsherziening benodigde verkiezingen10 werden gevoerd onder de leuze 'laat zitten, wat zit'. Dit was een onderlinge afspraak van de grote partijen om geen tegenkandidaten te stellen en de zittende Tweede Kamerleden te laten herkiezen.
-
-De lang gekoesterde wens van minister Lely om over te gaan tot afsluiting en gedeeltelijke inpoldering van de Zuiderzee ging in vervulling door aanneming van de Zuiderzeewet. Daarbij speelden de diverse overstromingen rond de Zuiderzee in 1916 een rol.
-
-Een voorstel om een staatspensioen in te voeren, werd in 1917 door de Eerste Kamer (die een rechtse meerderheid had) geblokkeerd.
-
-In het laatste oorlogsjaar deden zich een ernstige conflicten voor tussen de koningin en het kabinet. Het kabinet steunde minister Loudon die vond dat Nederland zich moest neerleggen bij geallieerde eisen ten aanzien van de Nederlandse koopvaardij om de voedseltoevoer niet in gevaar te brengen.
-
-De koningin weigerde zich in 1918 neer te leggen bij het ontslag van opperbevelhebber Snijders. Het kabinet wilde hem ontslaan, omdat Snijders had verklaard dat verzet bij een Duitse inval zinloos zou zijn.
Andere belangrijke wetten waren
-
-de Wet op de inkomstenbelasting (1914)
De vermogensbelasting en bedrijfsbelasting werden samenvoegd. De inkomstenbelasting kreeg een enigszins progessief tarief.
-
-instelling van een Volksraad in Nederlands-Indië (1916)
De Volksraad was een niet-ambtelijk, adviserend lichaam voor de Gouverneur-Generaal11. De raad bestond uit 39 leden, waarvan er 19 werden gekozen door lokale raden. De overige leden werden benoemd door de Gouverneur-Generaal. Ten minste een vierde van de leden moet inlander zijn. Advisering door de Volksraad was verplicht ten aanzien van de militaire verplichtingen, de begroting, de bestemming van het voordeling saldo, de dekking van een eventueel tekort en het aangaan van geldleningen.
-
-Archiefwet (1918)
Deze wet zorgde voor het eerst voor regels over de overheidsarchieven. De wet legde de verdeling over verschillende archiefbewaarplaatsen vast, regelde de openbaarheid en verplicht tot deskundig beheer. De wet had vooral betrekking op archieven van vóór 1813.
-
-Wet houdende nadere voorzieningen in de tegenwoordige buitengewone omstandigheden betreffende het toezicht op hier te lande vertoevende vreemdelingen. Met dat toezicht werd de Koninklijke Marechaussee belast. De wet voerde een systeem van verblijfsvergunningen in.
- 1.Er zijn verschillende manieren om een kabinet te typeren. Kan een kabinet rekenen op de steun van een meerderheid van de Tweede Kamer dan spreken we van een meerderheidskabinet. Is dat niet het geval dan wordt het kabinet aangeduid als een minderheidskabinet.
- 2.De eerste Grondwet na herstel van de onafhankelijkheid kwam op 29 maart 1814 tot stand, op basis van een door een commissie onder leiding van Van Hogendorp op 2 maart 1814 aangeboden ontwerp. Sindsdien is de Grondwet regelmatig en soms zeer ingrijpend veranderd.
- 3.Evenredige vertegenwoordiging is een kiesstelsel waarbij vrijwel alle uitgebrachte stemmen meetellen voor de uiteindelijke verhoudingen in de zetelverdeling.
- 4.Dit centrumrechtse kabinet regeerde in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog en in de roerige jaren die daarop volgden. Hoewel ARP, CHU en Katholieken, alleen samen met enkele kleine partijen een meerderheid hadden, werd toch een overwegend christelijk kabinet gevormd onder leiding van de eerste katholieke minister-president, de Limburgse Commissaris van de Koningin Charles Ruijs de Beerenbrouck.
- 5.Voorman van de vrijzinnig-democraten en in de jaren 1913-1916 leider van de vrijzinnige concentratie, het samenwerkingsverband met de drie liberale partijen. Onderwijzer, bankier en handelaar uit Oost-Groningen. Actief op velerlei maatschappelijke terreinen (onder andere het onderwijs, de middenstand en de kunsten). Vooraanstaand vrijzinnig-democratisch Tweede Kamerlid. Volgde in 1913 Drucker op als politiek leider van de VDB. Zijn poging in 1913 om een kabinet te vormen, waarvan ook sociaaldemocraten deel uitmaakten, strandde op de weigering van de SDAP. Als voorzitter van de Bevredigingscommissie speelde hij een belangrijke rol bij de wijziging van het onderwijshoofdstuk in de Grondwet. Overleed echter vóór hij de resultaten daarvan kon zien.
- 6.Rechtsgeleerde en vrijzinnig Tweede Kamerlid. Werd op zijn vijfentwintigste hoogleraar Romeins recht in Groningen en vervulde dat ambt later in Leiden. Had grote maatschappelijke belangstelling. In 1894 wipte hij in Groningen Sam van Houten als Tweede Kamerlid. Was voorzitter van de Liberale Unie, maar in 1901 medeoprichter van de VDB. Gaf op wetenschappelijke wijze leiding aan de vrijzinnig-democratische Tweede Kamerfractie. Knap jurist, die als hoogleraar/Kamerlid meewerkte aan belangrijke wetgeving, onder andere op het gebied van het kinderrecht. Ontwierp de Wet op het arbeidscontract. Hoffelijke, geestige, beminnelijke en zachtmoedige man, die moeite had met de harde politiek. Stapte in 1913 over naar de Senaat.
- 7.Vooraanstaand liberaal koloniaal publicist en politicus. Maakte na een korte carrière als Indisch rechterlijk ambtenaar fortuin als advocaat in Semarang. Na zijn terugkeer in Nederland in 1897 publicist. Werd vooral bekend als schrijver van het 'Eereschuld-artikel' over de Nederlandse koloniale politiek. Stelde dat Nederland een 'ereschuld' had jegens Nederlands-Indië van bijna 190 miljoen gulden. Er bestond volgens hem een zedelijke plicht die schuld te voldoen in de vorm van openbare werken (spoorwegen, irrigatie) om zo Nederlands-Indië op te voeden. Was daarmee een belangrijk ideoloog van de Ethische politiek. Tweede Kamerlid voor een Amsterdams district en daarna door de Friese Staten gekozen tot senator. Vanaf 1913 tot zijn dood weer Tweede Kamerlid. Als spreker niet erg boeiend. Erudiet, kunstzinnig, maar geen groot letterkundige.
- 8.Kleine, statige en beheerste geleerde, die door zijn premierschap tijdens de Eerste Wereldoorlog één van de belangrijkste staatsmannen van de twintigste eeuw werd. Progressief denkende Groningse jurist en hoogleraar. Zoon van een Tweede Kamerlid en zelf enige tijd plaatsvervangend griffier. Liberaal, maar geen partijman. Bracht als minister van Justitie in het kabinet-Pierson (1897-1901) belangrijke wetgeving tot stand onder andere over kinderrecht. Zijn kabinet bracht de Grondwetsherziening van 1917 tot stand, waarbij het algemeen mannenkiesrecht, de evenredige vertegenwoordiging en de financiële gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs werden geregeld. Stond als premier boven de partijen en had zeer veel gezag. Kreeg vanwege zijn wijze beleid tijdens de Eerste Wereldoorlog nog tijdens zijn ministerschap de titel 'minister van staat'. Was na 1918 tot op hoge leeftijd staatsraad.
- 9.Dochter van koning Willem III, die al op haar tiende, aanvankelijk onder het regentschap van haar moeder, koningin werd. In september 1898 als koningin ingehuldigd en daarna vijftig jaar regerend vorstin. Haar regering kenmerkte zich lange tijd door een zekere afstandelijkheid tot de bevolking, maar in de Tweede Wereldoorlog werd zij uitermate populair. Nadat zij in de meidagen van 1940 noodgedwongen was uitgeweken naar Londen gaf zij haar rol als 'Moeder des Vaderlands' ten volle gestalte door het verzet via radio-toespraken te inspireren. Zag zichzelf als leidsvrouwe van een vernieuwd en verenigd volk. Nadat na de bevrijding bleek dat de oorlog niet de politieke vernieuwing had gebracht die zij had gewenst, deed zij afstand van de troon. Krachtige persoonlijkheid, godsdienstig en temperamentvol.
- 10.Op 15 juni 1917 waren er verkiezingen voor de Tweede Kamer in verband met het in eerste lezing aannemen van voorstellen tot Grondwetsherziening. De verkiezingen waren in 50 districten, in de overige 50 districten was slechts één kandidaat.
- 11.De Gouverneur-Generaal (ook wel landvoogd of 'onderkoning') was de hoogste Nederlandse gezagsdrager in Nederlands-Indië. Hij oefende het bestuur uit over deze kolonie (later overzees gebiedsdeel) als vertegenwoordiger van de Koning, die formeel het oppergzag had.